1
Als een hert gejaagd, o Heere, Dat verse water begeert, Alzo dorst mijn ziel ook zere Naar U, mijn God hooggeeerd, En spreekt bij haar met geklag: O Heer, wanneer komt die dag, Dat ik toch bij U zal wezen, En zien Uw aanschijn geprezen?
2
Mijn tranen ende mijn klachten Zijn mijn spijs, die mij steeds voedt; Als men mij vraagt met verachten: Waar is nu uw God zo goed? Ik smelt als ik denk daaraan, Hoe ik voormaals placht te gaan Met een hoop volks hier te lande, Om U, Heer’, te doen off’rande.
3
Waarom wilt gij u zo kwellen En beroerd zijn, o ziel mijn? Wil gans uw hoop op God stellen; Van u zal Hij gedankt zijn, Als Hij door Zijn aanschijn klaar, Zal wegnemen uw kruis zwaar. Dies, o God, van mij niet wijket, Want mijn hart mij gans bezwijket.
4
Ik ben Uwes zeer gedachtig, Ook aan des Jordanen kant, En Uwer goedheid zeer krachtig In Hermon, dat koude land, En aan Misar, den berg bloot, Daar d’ een’ diepte d’ ander’ groot Toeschreit, en daar de tempeesten Over mij gaan minst en meesten.
5
Al de grote waterstromen Zijn, Heer’, over mij gegaan, En mij over ’t hoofd gekomen; Maar Gij hebt mij bijgestaan. ’s Daags toont Gij mij Uw goedheid, En ’s nachts Uw barmhartigheid; Dies zal ik U, Heer’, belijden; Gij hoedt mijn ziel t’ allen tijden