1
Een'ge Toevlucht van de ouden lang beloofde vrouwenzaad, Arke Die ons zal behouden in een vloed van alle kwaad: Trooster, ware Noach, zijt Mij een God van zaligheid.
2
Engel Gods, Die Jacob hoedde, veilig maakte weg en reis, Ware Jozef, Die ons voedde met gena en zielespijs meer dan zeven jaren, zijt mij een God van zaligheid.
3
Gij, Jobs Voorspraak, Mensenhoeder, Losser, Die onsterf'lijk leeft, Oudste, eerstgeboren Broeder Die het recht van lossen heeft; O Gij ware Goel, zijt mij een God van zaligheid.
4
Leidsman, Vorst van 't heer des Heeren, macht'ge Jacobs, sterke Held, Meerdr're David, God der ere, Die daar rijdt op 't vlakke veld; Heer' der legerscharen, zijt mij een God van zaligheid.
5
Wonderzoon, aan ons gegegeven Zo Jesaja heeft voorzeid, Raadsman, sterke God daarneven Vader van de eeuwigheid; Ware Vorst des vredes, zijt mij een God van zaligheid.
6
Morgenster zo vol van klaarheid Zonne der gerechtigheid, Licht der wereld, Weg en Waarheid Die in 't duister ons geleidt; Opgang uit de hoogte, zijt mij een God van zaligheid.
7
Mocht genade mij bekwamen, stellen als in klare dag, om uit deez'en and're namen waar 't geloof zo veel in zag, Honing steeds te zuigen, o God der waarheid doe alzo.