1
Niemand kan gelijk twee heren die elkander tegen zijn, dienen en zo trouw'lijk eren, dat hij ieder geeft het zijn'. Want hij zal de ene haten en beminnen d'ander meer, d'een aanhangen bovenmate en verachten d'ander weer.
2
Gij en kunt niet dienen Gode en de Mammon alle twee, want verscheidene geboden geeft een ieder aan u mee. Daarom zijt niet voor uw leven zo bezorgd met ongeduld, wie u spijs en drank zal geven, waarmee gij u voeden zult.
3
Ziet des hemels voog'len zwaaien onbezorgd in de natuur, die niet zaaien en niet maaien noch verzaam'len in de schuur. En nochtans uw Hemel-Vader voedt dezelven naar hun wens. Gaat gij die niet allegader veel te boven eed'le mens?
4
Zoek dan eerst Gods Koninkrijke en ook Zijn gerechtigheid, en deez' dingen tegelijke, zullen u zijn toegeleid. Zijt dan niet bezorgd voor morgen, want de morgen zal wel vroeg voor het zijne moeten zorgen, daag'lijks is er kwaad genoeg.