Ps 66 Juich, aarde, juich met blijde galmen

Verzen:


J. Worp, D. Sanderman

J. Worp, D. Sanderman


Juich, aarde, juich met blijde galmen
Den groten Schepper van 't heelal;
Zing d' eer Zijns Naams met dankbre psalmen;
Verhef Zijn roem met lofgeschal.
Zeg: "O hoe vrees'lijk zijn Uw werken!
Gij doet Uw wijdgeduchte kracht,
O God, aan al Uw haters merken,
Die veinzend buigen voor Uw macht."
Al 't aardrijk smeek' U, neergebogen,
Het heff' de schoonste psalmen aan;
Gezangen, die Uw Naam verhogen,
De glorie van Uw wonderdaan.
Komt, allen, ziet Gods wijze wegen;
Wat is Zijn werking hoog geducht,
Hetzij Hij 't mensdom met Zijn zegen
Bezoekt, of met Zijn strenge tucht!
God baande door de woeste baren
En brede stromen ons een pad;
Daar rees Zijn lof op stem en snaren,
Nadat Hij ons beveiligd had.
Hij zal eeuw uit eeuw in regeren;
Zijn oog bewaakt het heidendom;
Hij zal d' afvalligen verneren;
Hij keert hun trots' ontwerpen om.
Looft, looft den Heer' der legerscharen,
O volken, heft een lofzang aan;
Hij wil ons in het leven sparen,
Ons hoeden op de steilste paan,
Voor wanklen onzen voet bevrijden.
Gij hebt ons voor een tijd bedroefd,
En ons gelouterd door het lijden,
Gelijk het zilver wordt beproefd.
Een net belemmerd' onze schreden,
Een enge band hield ons bekneld.
Gij liet door heerszucht ons vertreden;
Gij gaaft ons over aan 't geweld;
Hier scheen ons 't water t' overstromen
Daar werden wij bedreigd door 't vuur,
Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen,
Verkwikkend ons ter goeder uur.
Door 's Hoogsten arm 't geweld onttogen,
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid,
Verschijnen voor Zijn heilig' ogen
Met offers, aan Hem toegezeid.
Ik zal, nu ik mag ademhalen,
Na zoveel bangen tegenspoed,
Al mijn geloften U betalen,
U, Die in nood mij hebt behoed.
Ik zal het brandaltaar doen roken
Van 't edelst' vee uit kooi en stal;
Zo worden vet en merg ontstoken,
Bij 't lieflijk rijzend lofgeschal.
Het reukwerk zal zijn geur verspreiden,
Daar ram bij ram wordt aangebracht.
'k Zal bok en rund ten offer leiden,
Opdat men z' U ter ere slacht'.
Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij, die den Heer' van harte vreest,
Hoort, wat mij God deed ondervinden,
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.
'k Sloeg heilbegerig 't oog naar boven,
Ik riep den Heer' ootmoedig aan;
Ik mocht met mond en hart Hem loven,
Hem, Die alleen mij bij kon staan.
Waar' ik door ongerechtigheden
En haar aanlokselen bekoord;
Dan had de Heer' naar mijn gebeden
En jammerklachten niet gehoord.
Maar nu, nu heeft, met gunstig' oren,
Mijn God op mijnen wens gelet;
Hij, die het al kan zien en horen,
Merkt' op de stem van mijn gebed.
God zij altoos op 't hoogst geprezen;
Lof zij Gods goedertierenheid,
Die nimmer mij heeft afgewezen,
Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

Bron: Psalm 66 Laus Deo, Salus Populo


Pt 424/Ps 98 Sing, Sing A New Song to Jehovah / naar Psalm 98 - Psalter 424
Ps 98 Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere / J.E. Voet - Psalm 98
Nooit kan 't geloof te veel verwachten / H. van Alphen (1746-1803) - TZ70,W364
Ps 118 Laat ieder 's Heeren goedheid loven / J.E. Voet - Psalm 118
Pt 427/Ps 118 Let All Exalt Jehovah's Goodness / naar Psalm 118 - Psalter 427


JW Player goes here


Deze site is nog in ontwikkeling, commentaar en suggesties zijn zeer welkom!
Stuur gerust een e-mail om andere gezangen aan te vragen.

Over Gezangboek.nl

Contact